Gearchiveerd onder: Uncategorized
Ridder Reinhardt was net keihard in zijn neus aan het peuteren toen Adelberd, zijn zeer trouwe doch ietwat nichterige page de kamer binnenkwam. In zijn vers gemanicureerde rechterhand hield Adelberd niets vast. In zijn linkerhand echter, hield hij op nonchalante wijze een kanten zakdoek. Ridder Reinhardt, wiens getrainde en immer loensende oog dit direct had gezien sprong recht en liep op een drafje naar Adelberd de page. Ridder Reinhardt sloeg uit volle macht met zijn rechtervuist op het kakement van Adelberd, dat met een droge krak versplinterde. Prompt zakte Adelberd ineen. Adelberd was niet alleen een nicht met een kanten zakdoek, maar blijkbaar was hij ook een van die nichten met een zwak beendergestel. Onze held zuchtte diep. Die page van hem zou nu wel twee keer nadenken als hij nog eens een snotneus had. Ridder Reinhardt verachtte kant. Hij keek naar het bewusteloze jonge knapenlichaam van zijn page en schudde het hoofd meewarig heen en weer. Volgens Ridder Reinhardt moest een echte man tegen een stootje kunnen. Zo at onze held bij het ochtendgloren stalen rice krispies, omdat de gewone zompig werden na een tijdje in de melk gelegen te hebben en Ridder Reinhardt dit toch wel als mietjesgedrag beschouwde. Ridder Reinhardt bukte zich en trok de zakdoek uit de handen van Adelberd. Even nog keek Ridder Reinhardt met een opgetrokken wenkbrauw naar een trekkende zenuw in het been van Adelberd. Hij maakte abrupt een einde aan de zenuwtrekkingen en de wellicht epische zoektocht van de desbetreffende zenuw naar vitale breinimpulsen door Adelberd een fikse trap in de maag te geven. Hoestend en proestend kwam Adelberd weer bij bewustzijn. Ridder Reinhardt begeleide zijn trouwe page naar de infirmerie en beloofde Adelberd plechtig om zijn gebruik van excessief geweld goed te maken met een potje kleurewiezen nog diezelfde avond.
Ridder Reinhardt keerde terug naar zijn vertrekken en ging wederom in zijn stoel zitten. Oh en wat voor een stoel was me dat. Een pareltje, een stoel uit de duizend. In een lang vervlogen verleden was deze stoel zelfs nog koning van Stoelenland geweest. Koning Stoel regeerde met strenge maar rechtvaardige hand over zijn steeds groeiende rijk. Dit totdat een verre voorvader van Ridder Reinhardt, Ridder Emiel genaamd, met een toorts in de hand vurig komaf maakte met deze voorspoedige monarchie. Koning Stoel had zich met hand en tand, eum, poot en leuning verzet. Maar toen Ridder Emiel de jongste zoon van Koning Stoel, nog maar een krukje, voor de koning zijn ogen doormidden kliefde knapte er iets binnen in de kussenvulling van Koning Stoel en niet lang daarna gaf hij zich over. Dankzij een zeer snelle vernisactie van de schild ende schandknaap van Ridder Emiel deed voorgaande geschiedenis niets af aan de fysieke grandeur van Koning Stoel en daar was Ridder Reinhardt helemaal niet rouwig om. Het was zijn lievelingsstoel. Ebbehouten leuningen, ingelegde fluwelen kussens en een bas-relief van David Hasselhoff op de rugleuning (David Hasselhoff is de patroonheilige van alle houten keukenmeubilair). Wat een vakmanschap. Wat een oog voor detail. Wat een afwerking. Mijn god, dat moet me wel een getalenteerde schrijnwerker geweest zijn.
Ridder Reinhardt liet net een bulderende scheet (zo een die de hele kamer rond dondert) toen Adelberd de trouwe page de kamer weer binnekwam. Zonder kanten zakdoek, hij had zijn lesje wel geleerd, maar met een verband rond het hoofd, ter ondersteuning van het flink gezwollen kakement. Adelberd zwaaide met een boek kaarten. “Belofte maakt schuld,” zei Adelberd. “Maar als het even kan zou ik eigenlijk liever manillen.” Ridder Reinhardt kon zijn oren niet geloven. Had zijn page nog geen uur na die brute levensles nu al opnieuw een cruciale fout gemaakt? Elke echte man wist dat er maar één kaartspel bestond dat het waard was om door echte mannen gespeeld te worden, en dat was kleurewiezen. Ridder Reinhardt stond langzaam op en stroopte de mouwen op van zijn linnen overgooier. Hij ging dreigend voor Adelberd staan. Adelberd, die er ietwat ridicuul uitzag met dat verband rond zijn hoofd, viel op de knieën en begon te huilen als een baby die in maanden al geen tiet meer had gezien. Met zijn volle macht zwaaide Ridder Reinhardt zijn vuist naar beneden. En terwijl zijn vuist de middelpuntsvliegende kracht ten volle aan het benutten was ging er bij Ridder Reinhardt een lichtje branden. Een spaarlamp zo bleek, aangezien Ridder Reinhardt niet alleen ongelooflijk moedig was maar ook zeer milieubewust. Net boven de fontanel van Adelberd zwenkte de vuist naar rechts en verpulverde een mooie vaas gevuld met orchideëen en het daarbijhorend tafeltje. Ridder Reinhardt trok Adelberd recht en sloeg vaderlijk een arm rond zijn schouders. “Laten we beginnen met een spelletje pijkezotverjagen, misschien leer ik je daarna wel de beginselen van het kleurewiezen.”
1 reactie tot nu toe
Plaats een reactie
Uit welk gat haalt gij dit briljante excrement toch? Van Goylen heeft zware concurrentie bijgekregen.
Reactie door Stijn augustus 29, 2008 @ 1:21 pm