Gearchiveerd onder: Uncategorized
Ridder Reinhardt stond bij het hoogste raam van de hoogste toren van zijn op een hoger plateau gelegen burcht gehuld in zijn van gouden maliën vervaardigde ochtendjas lekker te genieten van een kopje thee. Wat? Thee? Wat een nicht denken jullie nu. Maar, zoals te verwachten valt bij een man met het kaliber noten van Ridder Reinhardt, is niets wat het schijnt. De thee die Ridder Reinhardt zo zachtjes met zijn zilveren lepeltje aan het beroeren was, was getrokken van op puur staal gedroogde drakendrek. Als je dan nog weet dat Ridder Reinhardt de drakenfecaliën eigenhandig uit de sfincter van een uitgehongerde, bronstige draak (anders is er volgens Ridder Reinhardt ook geen sport aan) heeft gepeuterd kun je wel stellen dat dat kopje thee zowat het mannelijkste is dat een man bij zijn ontbijt kan drinken. Dit terzijde kan een man zich afvragen waar Ridder Reinhardt nu in godsnaam een van gouden maliën vervaardigde ochtendjas vandaan haalt. Ik doe dit echter niet en ga gewoon verder met deze op temperatuur komende episode uit het roemrijke leven van onze held Ridder Reinhardt.
Ridder Reinhardt vulde net zijn stalen longen vol verse ochtendlijke zuurstof toen er iets met een doffe klap tegen de kamerdeur knalde. Drie seconden later stampte Adelberd de Page de deur open en voorafgegaan door een penetrante dranklucht zwalpte Adelberd de Page naar Ridder Reinhardt toe. In zijn ene hand balanceerde hij een schotel met drie gebraden patrijzen (een simpele amuse-bouche voor een doorwinterde ontbijter als Ridder Reinhardt) vervaarlijk op zijn vingertoppen terwijl zijn andere hand een massieve, uit de hoorn van een bedreigde albino Indische zwarte neushoorn gesneden drinkbeker gevuld met mede omsloot. “Uw ontbijt Heer,” sprak Adelberd de Page en hij smeet de schotel voor de voeten van Ridder Reinhardt op de grond. Wat vervolgens gebeurde deed zelfs het robuuste kakement van Ridder Reinhardt enkele millimeters openzakken van verbazing. Adelberd de Page stak zijn vingers zo diep in zijn keel dat zijn elleboog zijn huig kietelde en spoog een brokkelige straal maagsappen recht op de drie gebraden patrijzen. Vervolgens stroopte hij zijn roze pofbroek naar beneden, draaide zich om en draaide een bolus van formaat op de voeten van Ridder Reinhardt. “Smakelijk Heer,” prevelend maakte Adelberd de Page een kniebuiging en zwalpte de kamer weer uit.
Ridder Reinhardt was met verstomming geslagen. Niet alleen waren de gouden slippers van onze held onherroepelijk bevuild, ook zijn maag was gedoemd om te blijven grommen als een uitgehongerde leeuw (en niet zomaar een leeuw, de legendarische Nemeïsche leeuw, maar dan voordat Herakles met hem klaar was uiteraard). En toen werd onze held boos. Oh, zo boos was hij nog nooit geweest, zelfs niet die keer dat een of ander stuk vreten hem voor de gein voetje had gelicht. Ridder Reinhardt begon te briesen en te stampvoeten van woede. Het schuim stond op zijn lippen en ogen waren bloeddoorlopen. Het werd zelfs zo erg dat op de duur heel de kamer gevuld was met verstikkende hoeveelheden schuim en Ridder Reinhardt niets meer kon zien van al het bloed in zijn ogen. “Wat een euvel!” dacht Ridder Reinhardt luidop, “hoe kan ik mij in godsnaam uit deze benarde situatie bevrijden?”. En dan viel Ridder Reinhardt zijn florijn. Hij begon te blazen en te blazen en te blazen. We weten allemaal dat Ridder Reinhardt niet van de minste is, zeker als het om blaaskracht gaat. Weinigen weten echter dat Ridder Reinhardt’s in- en uitademen, zuchten van verlichting (op het schijthuis) en onze held’s zuchten van extase (als hij weer eens een jonkvrouwe aan het ploegen was), verantwoordelijk zijn voor een rits natuurfenomenen, El Niño op kop. Eens de kamer was vrijgemaakt was en het bloed in zijn ogen weggetrokken was, was Ridder Reinhardt rats vergeten waarom hij zo boos was. Hij nam dan maar nog een lekker slokje van zijn thee terwijl hij zich afvroeg waar die vuile strontgeur vandaan kwam.