Ridder Reinhardt’s Olijke Exploten


Hoofdstuk 6: Ridder Reinhardt blaast hoog van de toren.
april 23, 2010, 11:41 am
Filed under: Uncategorized

Ridder Reinhardt stond bij het hoogste raam van de hoogste toren van zijn op een hoger plateau gelegen burcht gehuld in zijn van gouden maliën vervaardigde ochtendjas lekker te genieten van een kopje thee. Wat? Thee? Wat een nicht denken jullie nu. Maar, zoals te verwachten valt bij een man met het kaliber noten van Ridder Reinhardt, is niets wat het schijnt. De thee die Ridder Reinhardt zo zachtjes met zijn zilveren lepeltje aan het beroeren was, was getrokken van op puur staal gedroogde drakendrek. Als je dan nog weet dat Ridder Reinhardt de drakenfecaliën eigenhandig uit de sfincter van een uitgehongerde, bronstige draak (anders is er volgens Ridder Reinhardt ook geen sport aan) heeft gepeuterd  kun je wel stellen dat dat kopje thee zowat het mannelijkste is dat een man bij zijn ontbijt kan drinken. Dit terzijde kan een man zich afvragen waar Ridder Reinhardt nu in godsnaam een van gouden maliën vervaardigde ochtendjas vandaan haalt. Ik doe dit echter niet en ga gewoon verder met deze op temperatuur komende episode uit het roemrijke leven van onze held Ridder Reinhardt.

Ridder Reinhardt vulde net zijn stalen longen vol verse ochtendlijke zuurstof toen er iets met een doffe klap tegen de kamerdeur knalde. Drie seconden later stampte Adelberd de Page de deur open en voorafgegaan door een penetrante dranklucht zwalpte Adelberd de Page naar Ridder Reinhardt toe. In zijn ene hand balanceerde hij een schotel met drie gebraden patrijzen (een simpele amuse-bouche voor een doorwinterde ontbijter als Ridder Reinhardt) vervaarlijk op zijn vingertoppen terwijl zijn andere hand een massieve, uit de hoorn van een bedreigde albino Indische zwarte neushoorn gesneden drinkbeker gevuld met mede omsloot. “Uw ontbijt Heer,” sprak Adelberd de Page en hij smeet de schotel voor de voeten van Ridder Reinhardt op de grond. Wat vervolgens gebeurde deed zelfs het robuuste kakement van Ridder Reinhardt enkele millimeters openzakken van verbazing. Adelberd de Page stak zijn vingers zo diep in zijn keel dat zijn elleboog zijn huig kietelde en spoog een brokkelige straal maagsappen recht op de drie gebraden patrijzen. Vervolgens stroopte hij zijn roze pofbroek naar beneden, draaide zich om en draaide een bolus van formaat op de voeten van Ridder Reinhardt. “Smakelijk Heer,” prevelend maakte Adelberd de Page een kniebuiging en zwalpte de kamer weer uit.

Ridder Reinhardt was met verstomming geslagen. Niet alleen waren de gouden slippers van onze held onherroepelijk bevuild, ook zijn maag was gedoemd om te blijven grommen als een uitgehongerde leeuw (en niet zomaar een leeuw, de legendarische Nemeïsche leeuw, maar dan voordat Herakles met hem klaar was uiteraard). En toen werd onze held boos. Oh, zo boos was hij nog nooit geweest, zelfs niet die keer dat een of ander stuk vreten hem voor de gein voetje had gelicht. Ridder Reinhardt begon te briesen en te stampvoeten van woede. Het schuim stond op zijn lippen en ogen waren bloeddoorlopen. Het werd zelfs zo erg dat op de duur heel de kamer gevuld was met verstikkende hoeveelheden schuim en Ridder Reinhardt niets meer kon zien van al het bloed in zijn ogen. “Wat een euvel!” dacht Ridder Reinhardt luidop, “hoe kan ik mij in godsnaam uit deze benarde situatie bevrijden?”. En dan viel Ridder Reinhardt zijn florijn. Hij begon te blazen en te blazen en te blazen. We weten allemaal dat Ridder Reinhardt niet van de minste is, zeker als het om blaaskracht gaat. Weinigen weten echter dat Ridder Reinhardt’s in- en uitademen, zuchten van verlichting (op het schijthuis) en onze held’s zuchten van extase (als hij weer eens een jonkvrouwe aan het ploegen was),  verantwoordelijk zijn voor een rits natuurfenomenen, El Niño op kop. Eens de kamer was vrijgemaakt was en het bloed in zijn ogen weggetrokken was, was Ridder Reinhardt rats vergeten waarom hij zo boos was. Hij nam dan maar nog een lekker slokje van zijn thee terwijl hij zich afvroeg waar die vuile strontgeur vandaan kwam.



Hoofdstuk 5: Ridder Reinhardt de Bourgondiër
oktober 6, 2008, 2:57 pm
Filed under: Uncategorized

Ridder Reinhardt had honger als een paard. En dat hebben we het niet over een of andere ordinaire pony, maar over een uit de kluiten gewassen Brabants trekpaard. Nu kan je je natuurlijk gaan afvragen waarom onze held zo een honger had, maar aangezien het geen ene moer uitmaakt voor ons verhaal ga ik er ook mijn klavier niet aan vuil maken. Wat ik wel kan zeggen is dat het een episch verhaal betreft, een verhaal dat handelt over bloeddorstige draken, flonkerende schatten, woeste steppegebieden en een ietwat guitige soepselder. Een uur geleden had Ridder Reinhardt de opdracht gegeven een Bourgondisch vreetfestijn te bereiden en nu begon hij zich stilaan af te vragen waar die keukenklojo’s met zijn eten bleven. Hij besloot zelf eens een kijkje te gaan nemen en indien nodig orde op zaken te stellen. Met een grommende maag snelde Ridder Reinhardt door de gangen van zijn donjon. Daar aangekomen sleurde hij de zware brandvrije deur open en wat hij zag deed zijn mond openvallen met verbazing. Nu moet je weten dat Ridder Reinhardt’s mond niet zomaar door het minste openvalt van verbazing. Voor een doorgewinterde ridder als hijzelf waren merkwaardigheden en mysterie schering en inslag, maar bij dit aanziens stond hij als aan de grond genageld.

Adelberd de Page stond in het midden van de keuken met zijn pofbroek op de enkels en een wortel in zijn kontement de liefde te bedrijven met een half-gevulde kalkoen terwijl de rest van het keukenpersoneel hem stond toe te juichen. De saucier ging zelfs nog een stapje verder. Hij had een visspaan gegrepen en slaakte gesmoorde kreetjes terwijl hij er Adelberd de Page zijn billen mee bewerkte. Ridder Reinhardt kon zijn ogen niet geloven. Hij had het maar net kunnen aanvaarden dat Adelberd lid was van de Orde van de Roze Plumeau, maar dit ging echt wel te ver. “Weg jullie stelletje proletariërs!” schreeuwde Ridder Reinhardt tegen het keukenrapalje. Zijn bloed kookte, dus Ridder reinhardt kreeg het erg warm en begon te zweten als een paard (blijkbaar kan je wel stellen dat paarden een beetje het leidmotiv zijn in deze episode). Zijn ogen vernauwden zich tot spleetjes zodat hij bijna niets meer zag. Hij balde zijn vuisten en bijgevolg kon hij zijn handen ook niet meer gebruiken. Al die lichamelijke dysfuncties maakten Ridder Reinhardt nog bozer dan hij al was. Hij trok zijn dolk (wat een hele opgave is met gebalde vuisten) en stormde ziedend van woede op Adelberd af.

Hij stond op het punt Adelberd bij de keel te grijpen, te wurgen en dan te vierendelen toen zijn oog plots op een gigantische doos viel die in de hoek van de keuken stond. Ridder Reinhardt fronste. Een camera obscura, wat deed die hier? “Je bent net geschandknaap’d,” gilde Adelberd plots. En toen snapte hij het. Hij ontbalde zijn vuisten, deed zijn ogen weer helemaal open en goot een emmer water over zich om zijn kokende bloed te doen afkoelen. Ridder Reinhardt begon te lachen en zei grinnikend tegen Adelberd: “Jij duivelsgebroed, mij zo in de luren leggen!” Glimlachend legde Adelberd uit hoe hij zijn vleesje enkel voor de gein in de kalkoen had gestoken en hoe al het keukenpersoneel hem geholpen had. Die avond genoten ze met z’n allen met volle teugen van het feestmaal. Het pronkstuk was een roodbruin gebraden kalkoen en Adelberd vertelde aan alle genodigden en aan iedereen die het horen wilde hoe hij hem eigenhandig gevuld had.



Hoofdstuk 4: Ridder Reinhardt est furieux.
september 1, 2008, 7:37 pm
Filed under: Uncategorized

Ridder Reinhardt was het meer dan beu. Hij smeet de Franse perkamenten die hij aan het bestuderen was uit het torenraam recht de slotgracht binnen. Een paar lijfeigenen keken raar op toen ook het bureau, een paar gordijnen, twee druiven, een icoon van David Hasselhof, een wasmand vol vuile onderkolders en een kat (inclusief zak) het koude water van de gracht binnenplonsden. Kort daarop werden diezelfde lijfeigenen verpletterd door een net door Adelberd geboende vleugelpiano. Ridder Reinhardt stond recht, gaf Adelberd de page een welgemikte trap in zijn noten en ging toen met een demonische grijns enkele dorpen platbranden.



Hoofdstuk 3: Ridder Reinhardt baalt.
augustus 30, 2008, 3:31 pm
Filed under: Uncategorized

Ridder Reinhardt was boos. Op wie of wat wist Ridder Reinhardt niet. Het was een emotie die Ridder Reinhardt eigenlijk volledig onbekend was. Daarom was Ridder Reinhardt nogal verward. Het was geleden van het zien van een aflevering van Piet Piraat dat onze held nog zo verward was geweest. Ridder Reinhardt had zichzelf er immers op betrapt dat hij bij de aftiteling luidkeels ‘Piet Piraat, Piet Piraat, Schip Ahoi Hoi Hoi’ aan het meekelen was. Soit, Ridder Reinhardt was dus verward door dat onbekende gevoel van boosheid. Door al die verwarring werd Ridder Reinhardt een beetje gefrustreerd, en die frustraties leidden dan tot nog meer boosheid. Gelukkig voor Ridder Reinhardt was hij niet bekend met concept van een negatieve spiraal en bleef hij gewoon even boos als voordien. Was dat even boffen voor Ridder Reinhardt. Onze held keek de kamer rond en stuurde Adelberd de page weg met de opdracht zijn perineum te gaan scheren. Stilletjes begon hij te zingen. Het volume zwol aan en bij de laatste ‘Schip Ahoi Hoi Hoi’ daverde het hele kasteel. Ridder Reinhardt lachte, hij voelde zich al een heel pak beter.



Hoofdstuk 2: Ridder Reinhardt geeft levensles.
augustus 28, 2008, 11:27 pm
Filed under: Uncategorized

Ridder Reinhardt was net keihard in zijn neus aan het peuteren toen Adelberd, zijn zeer trouwe doch ietwat nichterige page de kamer binnenkwam. In zijn vers gemanicureerde rechterhand hield Adelberd niets vast. In zijn linkerhand echter, hield hij op nonchalante wijze een kanten zakdoek. Ridder Reinhardt, wiens getrainde en immer loensende oog dit direct had gezien sprong recht en liep op een drafje naar Adelberd de page. Ridder Reinhardt sloeg uit volle macht met zijn rechtervuist op het kakement van Adelberd, dat met een droge krak versplinterde. Prompt zakte Adelberd ineen. Adelberd was niet alleen een nicht met een kanten zakdoek, maar blijkbaar was hij ook een van die nichten met een zwak beendergestel. Onze held zuchtte diep. Die page van hem zou nu wel twee keer nadenken als hij nog eens een snotneus had. Ridder Reinhardt verachtte kant. Hij keek naar het bewusteloze jonge knapenlichaam van zijn page en schudde het hoofd meewarig heen en weer. Volgens Ridder Reinhardt moest een echte man tegen een stootje kunnen. Zo at onze held bij het ochtendgloren stalen rice krispies, omdat de gewone zompig werden na een tijdje in de melk gelegen te hebben en Ridder Reinhardt dit toch wel als mietjesgedrag beschouwde. Ridder Reinhardt bukte zich en trok de zakdoek uit de handen van Adelberd. Even nog keek Ridder Reinhardt met een opgetrokken wenkbrauw naar een trekkende zenuw in het been van Adelberd. Hij maakte abrupt een einde aan de zenuwtrekkingen en de wellicht epische zoektocht van de desbetreffende zenuw naar vitale breinimpulsen door Adelberd een fikse trap in de maag te geven. Hoestend en proestend kwam Adelberd weer bij bewustzijn. Ridder Reinhardt begeleide zijn trouwe page naar de infirmerie en beloofde Adelberd plechtig om zijn gebruik van excessief geweld goed te maken met een potje kleurewiezen nog diezelfde avond.

Ridder Reinhardt keerde terug naar zijn vertrekken en ging wederom in zijn stoel zitten. Oh en wat voor een stoel was me dat. Een pareltje, een stoel uit de duizend. In een lang vervlogen verleden was deze stoel zelfs nog koning van Stoelenland geweest. Koning Stoel regeerde met strenge maar rechtvaardige hand over zijn steeds groeiende rijk. Dit totdat een verre voorvader van Ridder Reinhardt, Ridder Emiel genaamd, met een toorts in de hand vurig komaf maakte met deze voorspoedige monarchie. Koning Stoel had zich met hand en tand, eum, poot en leuning verzet. Maar toen Ridder Emiel de jongste zoon van Koning Stoel, nog maar een krukje, voor de koning zijn ogen doormidden kliefde knapte er iets binnen in de kussenvulling van Koning Stoel en niet lang daarna gaf hij zich over. Dankzij een zeer snelle vernisactie van de schild ende schandknaap van Ridder Emiel deed voorgaande geschiedenis niets af aan de fysieke grandeur van Koning Stoel en daar was Ridder Reinhardt helemaal niet rouwig om. Het was zijn lievelingsstoel. Ebbehouten leuningen, ingelegde fluwelen kussens en een bas-relief van David Hasselhoff op de rugleuning (David Hasselhoff is de patroonheilige van alle houten keukenmeubilair). Wat een vakmanschap. Wat een oog voor detail. Wat een afwerking. Mijn god, dat moet me wel een getalenteerde schrijnwerker geweest zijn.

Ridder Reinhardt liet net een bulderende scheet (zo een die de hele kamer rond dondert) toen Adelberd de trouwe page de kamer weer binnekwam. Zonder kanten zakdoek, hij had zijn lesje wel geleerd, maar met een verband rond het hoofd, ter ondersteuning van het flink gezwollen kakement. Adelberd zwaaide met een boek kaarten. “Belofte maakt schuld,” zei Adelberd. “Maar als het even kan zou ik eigenlijk liever manillen.” Ridder Reinhardt kon zijn oren niet geloven. Had zijn page nog geen uur na die brute levensles nu al opnieuw een cruciale fout gemaakt? Elke echte man wist dat er maar één kaartspel bestond dat het waard was om door echte mannen gespeeld te worden, en dat was kleurewiezen. Ridder Reinhardt stond langzaam op en stroopte de mouwen op van zijn linnen overgooier. Hij ging dreigend voor Adelberd staan. Adelberd, die er ietwat ridicuul uitzag met dat verband rond zijn hoofd, viel op de knieën en begon te huilen als een baby die in maanden al geen tiet meer had gezien. Met zijn volle macht zwaaide Ridder Reinhardt zijn vuist naar beneden. En terwijl zijn vuist de middelpuntsvliegende kracht ten volle aan het benutten was ging er bij Ridder Reinhardt een lichtje branden. Een spaarlamp zo bleek, aangezien Ridder Reinhardt niet alleen ongelooflijk moedig was maar ook zeer milieubewust. Net boven de fontanel van Adelberd zwenkte de vuist naar rechts en verpulverde een mooie vaas gevuld met orchideëen en het daarbijhorend tafeltje. Ridder Reinhardt trok Adelberd recht en sloeg vaderlijk een arm rond zijn schouders. “Laten we beginnen met een spelletje pijkezotverjagen, misschien leer ik je daarna wel de beginselen van het kleurewiezen.”



Hoofdstuk 1: Ridder Reinhardt heeft geen honger.
augustus 28, 2008, 1:52 pm
Filed under: Uncategorized

Man man, wat had Ridder Reinhardt een dorst. Het was lang geleden dat Ridder Reinhardt nog zo’n dorst had gehad. Het was geleden van die ene keer dat hij samen met enkele gepensioneerde tempeliers verloren was gelopen in de woestijn. Gelukkig had hij zich daar nog op het laatste nippertje kunnen laven met twee liter kamelenzweet. Soms vroeg Ridder Reinhardt zich wel eens af hoe een nippertje er precies uit zou zien. Onze held had wel meerdere van die zaken waar hij veelvuldig over kon tobben. Zo vroeg Ridder Reinhardt zich af hoe iemand in het ootje nemen in zijn werk ging. Of zo had hij al menig ver land doorkruist op zoek naar luren om zijn trouwe page Adelberd in te leggen. Helaas, het heeft nooit mogen zijn. Vaak al was Ridder Reinhardt met een kat in een zak teruggekomen. En die kat in een zak was bijgevolg het enige mysterie dat Ridder Reinhardt al had kunnen ontsluieren. Zat hij daar nu met al die katten. Man, wat een smerige geur gaven die kutbeesten af, zeker als ze al een tijdje in die zak zaten. En om het allemaal nog erger te maken had onze onfortuinlijke Ridder Reinhardt bovenop die exclatante geur nog altijd een verschrikkelijke dorst.



Proloog: Ridder Reinhardt, held van een natie.
augustus 28, 2008, 11:10 am
Filed under: Uncategorized

Ridder Reinhardt krabde onbeschaamd aan zijn kont. Hij riep zijn page (een welverzorgde adolescentent in een roze met licht-paars gevoerde fluwelen pofbroek) naar hem toe en veegde een niet ongering aantal poepharen af aan diens vers geschoren kruin. De page, die we voor de gemakkelijkheid gewoon Adelberd van Oost-Kommerlijke, zoon van Rodolfus van West-Lotharingen zullen noemen, vond die poepharen van Ridder Reinhardt in zijn haar natuurlijk helemaal niet zo leuk. Alhoewel Adelberd de page zijn walging probeerde te verbergen kreeg het immer waakzame oog van Ridder Reinhardt de negatieve speling om Adelberd’s lippen al snel in het ootje. Ridder Reinhardt stond op en zette met een keiharde trap in het kruis Adelberd de page weer op zijn plek.

Ridder Reinhardt was het beu. Te lang had Ridder Reinhardt in dienst gestaan van alle zwakken op deze aardkloot. Te lang had hij rondgezworven om rechtschapen lieden te beschermen voor alle rabauwen en schelmen. Nee nee, deze keer was het zijn beurt. Ridder Reinhardt had zich teruggetrokken in zijn donjon om daar in alle rust en kalmte een lied te schrijven. Een lied zoals de wereld nog nooit gehoord had. Een lied waarin hij zou verhalen over epische veldslagen en teloorgegane liefdes, verre horizonten, Oosterse magie en de toch wel aanzienlijke lengte van zijn jongeheer.

Ridder Reinhardt echter, normaal een zeer eloquent heerschap, had nu te kampen met een wel zeer prangend probleem. Het bleek, en niemand was meer verrast dan Ridder Reinhardt zelf, dat hij helemaal niet kon schrijven. Nu moet je om een lied te schrijven toch wel minstens een paar letters van het alfabet machtig zijn. Het moest zelfs niet eens in dichtvorm zijn voor Ridder Reinhardt, die al dat zeemzoeterig gerijm toch maar voor homo’s vond. En terwijl hij dus aan homo’s, of nichterige manspersonen in het algemeen, aan het denken was kwam er plots een knoert van een dEUS Ex Machina op de tafel voor hem terecht.

Ridder Reinhardt, die zich natuurlijk op heldhaftige wijze achter een tafel verscholen had, riep Adelberd de page bij hem en beval hem het gevaarte van naderbij te gaan bekijken. (Nu kan je denken, mijn god, wat een lafaard die Ridder Reinhardt. Doch, bedenk even hoe heldhaftig hij wel niet zou zijn moest hij niet enkel een onbekend gevaar het hoofd kunnen bieden maar daarbij ook het leven van een nichterige adolescent zou kunnen redden. Zulke dingen calculeerde Ridder Reinhardt nu eenmaal in. Altijd was hij bezig om de stoutmoedigste, de dapperste en de meest koene van alle ridders te zijn. Zelfs een kans als deze, wanneer enkel hij en de page aanwezig zijn deed hij er alles voor om er zo moedig mogelijk uit te komen, al was het maar om zijn eigen ego te strelen. Ik moet u wel zeggen dat deze attitude van Ridder Reinhardt hem al in redelijk linke situaties heeft gebracht, maar dat is voor een andere keer. Ik dwaal af, waar waren we? Oja.)

Schoorvoetend ging Adelberd de page naderbij. Plotsklaps ging er een deurtje open en kwam Tom Barman naar buiten. Tom Barman stofte zijn kleren af en stak een sigaret op. De page bleef als verstijfd staan. Nu kwam ook Mauro Pawlowski naar buiten en voor de ogen van Ridder Reinhardt en Adelberd de page begonnen Mauro en Tom Barman te tongen dat het geen naam had. Adelberd de page, die wegens zijn nichterige achtergrond dit tafereel toch wel genietbaar vond, ging wat meer op zijn gemak staan. Ondertussen had Ridder Reinhardt zijn zwaard getrokken en met één machtige sprong stond hij naast het speeksel-uitwisselende tweetal, hief zijn zwaard en hakte in één soepele beweging hun beide hoofden eraf terwijl hij luidkeels riep: “Geen flikkers in dit kasteel!”

Waw, wat een ridder die Ridder Reinhardt. Ridder Reinhardt beval Adelberd de page om de boel wat op te ruimen. Toen viel zijn oog op iets dat uit de zak van Tom Barman stak. Het was een dun boekje en nieuwsgierig als hij was, bukte Ridder Reinhardt zich om het op te rapen. ‘Songwriting for Dummies’ stond er op de cover. Ridder Reinhardt sprong een gat in de lucht, zette zich dan weer neer, stond weer recht, deed een kort vreudedansje, zette zich uiteindelijk weer neer en begon vol passie aan zijn lied. Daarbij was hij zo geconcentreerd dat hij niet zag hoe Adelberd de page zich vergreep aan het nog warme lichaam van Tom Barman.